|
|
| |
Column
Arme ziel
Je ziet het al meteen bij binnenkomst. Het
slenterende kind wordt zacht voortgeduwd door
moeder of vader. Rode wangen, de duim soms nog
in de mond. Een grote, groene snottebel
bengelend onder de neus. Dan hoor je het ook.
“Mammie, ik ben zooo moe.” “Schiet nou maar op,”
bitst de moeder-in-mantelpak. Mama had al in de
auto moeten zitten.” Als de jas hangt en de tas
is uitgepakt drukt moeder haar wankele bambi met
een zucht op het kleuterstoeltje. Zo, die zit.
Een laatste kus en weg is ze. De juf geeft mij
een veelbetekenende knipoog. Het is een slimme
kleuterjuf. Regelmatig seint ze me haar
ongenoegen. Ik weet al wat ze zo meteen gaat
doen. Dit is namelijk niet de eerste keer dat we
zien hoe een halfziek kind door werkende ouders
met stalen smoel wordt afgeleverd in de klas. De
juf laat de moeder gaan. “Daaaag.” En rond half
tien pakt ze de bellijst. Moeder (of vader) is
dan net op het werk aangekomen. Haar tekst is
eenvoudig: “Je kind is ziek, kom hem maar
halen.” Ze wacht niet op het antwoord. Het
antwoord is er eentje vol panikerende uitlaten,
“hoe moet dat nu, vergadering, ben er net, geen
tijd,...onmogelijk, belangrijke dag,...”
De juf zit alweer in de kring en kijkt naar het
knikkebollende kind. Ze legt hem op de bank in
de poppenhoek en dekt hem liefdevol toe met een
gestreept fleece dekentje. Dankbaar sluit het
koortsige kind zijn ogen en valt in slaap. Dank
U.
Zo ook het luizenverhaal. Onlangs ving ik in de
gang een quote op van een moeder: “Die luizen,
daar doe ik niks meer aan hoor, veel te veel
werk.” Dank U, wilde ik zeggen, maar ik spaarde
mijn woorden voor een beter moment. Het moment
waarop wij voor het eerst in ons gezin een luis
van dichtbij zagen. En alles wasten, poetsten en
zogen. Een hele week lang draaide de wasmachine
overuren, zaten alle knuffels dagenlang
vastgevroren aan elkaar in de vriezer en stonken
onze haren (ook die van de luislozen) naar
verdelgende olie. Aan de inzet heeft het niet
gelegen. De luizen waren verdwenen, maar ik
moest meteen denken aan die ene onverlet die
vandaag, of morgen of volgende week zou weigeren
een uitbraak in de kiem te smoren. Dank U.
Of die ene keer dat een logeetje zonder blikken
of blozen bij mij werd binnengeschoven, terwijl
de moeder achteloos zei: “Ze heeft wel
krentenbaard, een beetje dan.” Ik dacht nog, ik
zie niks, maar ’s avonds bij het badritueel
hoorde ik een harde gil. Mijn dochter stond vol
afgrijzen te wijzen op een plakkaat ter grote
van een pannenkoek op de billen en een groot
deel van de rug van haar vriendinnetje. Dank U.
Reageer
op deze column...
Geschreven op 3 maart 2010 |
|
|
|