|
|
| |
Column
Bang
De eerste keer dat ik in een vliegtuig
stapte was samen met mijn lief in onze
studietijd. Ik was twintig. De huidige generatie
vliegt over de hele wereld, maar wij gingen
vroeger met onze ouders naar De Veluwe, Limburg
en heel af en toe naar Het Zwarte Woud. Heerlijk
overzichtelijk.
Ik voel de tranen nog in mijn oren lopen (!) bij
het vertrek van die Boeing 747. Die kracht, die
snelheid, de brullende motoren. Heel
indrukwekkend én emotioneel. Daarna werd het
gewoon. Maar die eerste keer ben ik nooit
vergeten (wat een inkopper, 1e keren vergeet je
nimmer). Onze kinderen vliegen nu al jaren met
ons mee en vinden het ook ´heel normaal´. Het
vreemde is dat ik iedere vlucht banger word. Ik
knijp degene die naast me zit en houd mijn ogen
stijfdicht. ‘Mama, waarom kijk je niet? Mama ben
je bang?’ ‘Ja, mama is bang. Nee, mama wil niet
uit het raampje kijken. Ja, mama ruikt ook die
brandlucht. Oh, is dat de espressomachine zegt
de stewardess, eh, nee mama hoeft niet naar de
wc, vraag papa maar en ja, mama hoort dat
gerammel ook en wil je alsjeblieft die kaart met
uitleg over zwemvesten, glijbanen en nooddeuren
opbergen?’
Het werd te gek. Mama heeft drugs nodig in een
vliegtuig. Ik bel de huisarts en vraag om een
rustgevend pilletje voor heen- en terugreis.
Geen probleem. Met de pilletjes in mijn klamme
hand zit ik vlak voor het inchecken te dubben
over het moment van inname. En of ik een hele of
halve zal nemen. Een halve maar dan. Ik voel me
aangenaam kalm tijdens de vlucht, maar vraag me
toch vertwijfeld af of ik wel adequaat kan
handelen in een noodsituatie. Zucht. Soms baal
ik ervan een vrouw te zijn. Ook nog eens een
bange vrouw. Zucht. Op de terugweg denk ik wel
zonder pilletje te kunnen. Ik heb tijdens die
zalige vakantie namelijk uitgebreid de
bijwerkingen (?) kunnen lezen. Mijn oksels zijn
op tien kilometer hoogte boven Lissabon al
doorweekt. Ik heb inmiddels twintig keer
hetzelfde oninteressante verhaal in het
vliegtuigmagazine gelezen, woord voor woord,
letter voor letter en lees nog net niet hardop.
Bij de eerste wiebel steek ik mijn hand uit naar
links over het gangpad, waar lief heerlijk
ontspannen met de kinderen zit te babbelen.
‘Zoetje, geeft mijn zoetje.’ Hij begrijpt het
gelukkig meteen en geeft het redmiddel discreet
aan. Ik slik het zonder water door en wacht
onrustig op de werking. Wat het medicijn doet?
Het legt een filter over je waarnemingen. Je
krijgt een soort van airbag over je lijf
getrokken waarna je je veilig waant. Bizar.
Ondanks mijn kunstmatige veiligheid tel ik de
minuten. De landing. Die vreselijke landing. Ik
sterf iedere keer een beetje tijdens een
landing. Waarschijnlijk had ik er twee moeten
innemen om relaxed uit het raam te kunnen kijken
tijdens dit bange kwartier. Nog dagenlang heb ik
spierpijn van mijn verkrampte angst. Dit jaar?
Dit jaar gaan we rijdend naar Zuid Europa.
Reageer
op deze column...
Geschreven op 4 juni 2009 |
|
|
|