Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Digitaal jarig
Een ansichtkaart kreeg ik voor mijn 41e. Verder tientallen sms'jes en ontelbaar veel felicitaties via Social Media. Mijn digitale postbus ontplofte bijna. Virtuele bloemen, taarten met m’n naam, verjaardagsliedjes op YouTube, dansende nijlpaarden, ballonnen, slingers, loeiende koeien, digitale kussen, van alles gleed die dag langs mijn ogen, oren en wangen. Wie zegt dat Facebook, Twitter en LinkedIn onpersoonlijk zijn, kom ik graag persoonlijk het tegendeel bewijzen. Ik bleef maar bedanken, glimmen, stoelen bijschuiven en taart bijhalen op die saaie, grijze maandag. En die ene papieren kaart was van mijn dierbaarste vriendin uit mijn verleden. De geur van heden en verleden mengde zich hier op wonderbaarlijke wijze.
Zoals een geur je kan omarmen of afstoten. Natuurlijk kreeg ik een nieuwe lucht voor mijn verjaardag. Een goeie geur, daar niet van, maar ik bekeek hoofdschuddend de tientallen geuren die al in mijn badkamerkast staan. Volle flessen met kostbaar nat, hooguit een keer gebruikt. Waarom houd ik niet van kunstmatige geuren, maar van knisperend wasgoed dat in de wind heeft gewapperd? Van Sunlight zeep, boenwas en gestoofde perenlucht. Van natte bladerengeur, omgewoelde zwarte aarde en kruidnagelen in het suddervlees. Van de versgebakken koekjesgeur in de hals van mijn kleine meisje dat ‘s ochtends tegen me aankruipt in bed. Van de zwoele lucht van het warme zand in de Loonse en Drunense Duinen.
En hoe vreemd het ook klinkt, zelfs mijn oude omaatje ruikt lekker. Naar mijn verleden! Als ik mijn ogen dichtdoe en dicht bij haar ga zitten, ruik ik haar huis en de grote moestuin vol overrijpe aardbeien. Ik ruik opa in z’n stoel - zijn handen voor de buik - duimendraaiend, lachend. Ik ruik de warme appelmoes, de gebakken aardappeltjes, de Brinta-pap die ze even liet koken zodat er een stroperig laagje op kwam te liggen. Ik ruik de struiken waar we ons verstopten, de verse, nog warme eieren die we onder de kippenkonten vandaan trokken. Ik ruik zelfs nog de muizen uit de meelton die met tientallen tegelijk om onze benen sprongen als we een draai aan de ton gaven.
En nu heb ik dus besloten mijn geurencollectie uit te dunnen. Ik probeer iedere dag een nieuwe lucht en bevalt ‘ie niet meteen dan gaat ‘ie weg. Het plankje ‘weg’ wordt steeds groter. Ik moet me erbij neerleggen. Ik ben niet van de parfum. Erger nog, van mensen die ik ‘ruik‘ binnenkomen kan ik intens een afkeer hebben. En dat kan heus ook van een vriendelijke bloemenlucht zijn. Natuurlijk deins ik achteruit van walmende autostoelen die ruiken naar vorige eigenaren, van autoverkopers die je een hand- en meteen een explosieve aftershavegeur meegeven. Van tandartsen die al babbelend een bittere-koffie-meur boven je opengesperde mond uitstoten. Van lange rijen mensen waar er een tussen staat die het oude zweet heeft vergeten weg te wassen. Je hoeft niet te ruiken, houd ik mijn jongens voor. Iedereen zweet, maar als je elke dag doucht en een schoon shirt aantrekt is er niets aan de hand. En biologisch gezien is het allemaal prima geregeld, want van de weeïge jongensgeur op de kamer van mijn oudste zoon die zijn sokken in de schoenen propt kan ik echt over m’n nek gaan. En zijn sterke lijfgeur die door zijn gierende hormonen wordt afgegeven zal ongetwijfeld een heleboel dartelende meisjes aantrekken. Mij stoot het af. Gelukkig maar. Heel gezond. Ik steek mijn neus liever in de hals van mijn liefste. En dan hoeft ‘ie niet eens frisgewassen te zijn. Over aantrekkingskracht ge(sp)roken.

Reageer op deze column...


Geschreven op 23 november 2010
 

Sitemap