|
|
| |
Column
Engel
Ik droomde over een engel. Hij bracht me een
gedicht. Over liefde. Over passie. Over
hartstocht. De engel had geen gezicht. Alleen
een stem. En een lach. Toch zag ik
kraaienpootjes fladderen en voelde dat vleugels
de lucht verplaatsten. Het was een vreemde
droom. De zon scheen en er lag sneeuw. Het was
warm en koud tegelijk en de letters van het
gedicht werden een voor een op mijn netvlies
geprojecteerd.
De volgende ochtend dacht ik na over de droom.
Het waterige zonnetje leek in niets op de zon
uit mijn dromen en toch had de warmte ervan
dezelfde kracht. Ik besloot met een kop koffie
buiten te gaan zitten. In de laatste
zomerstralen. Ik deed mijn ogen dicht en las in
gedachten het gedicht opnieuw. En nog eens en
nog eens. Totdat het te koud werd buiten en ik
weer naar binnen moest.
Die nacht droomde ik van een kasteel. Het rook
er naar lavendel. Frankrijk? De Provence? Op het
landgoed speelden overal kinderen. Groot en
klein. Ik hoorde overslaande stemmen van
beginnende pubers, maar ook hoge, schelle
kinderstemmen. Een klein, mager jongetje
wandelde glimlachend naar me toe. Hij droeg een
rond brilletje en liep behoedzaam. Ik ken dat
mannetje ergens van, dacht ik en ging op mijn
knieën zitten om hem gedag te zeggen. ‘Bonjour,’
zei ik, maar hij schudde zijn hoofd. ‘Geen
bonjour, maar hallo,’ zei hij gevat. ‘Ik heet Paflori en ben de ridder van dit kasteel.’ Ik
slikte. Dit kind waande zich een echte
ridder. ‘Wow,’ zei ik, ‘een ridder. Wilt u mijn
hand kussen ridder?’ Paflori knipperde even
verbaasd met zijn ogen en pakte voorzichtig mijn
uitgestoken hand. Zijn kus belandde in het
luchtledige, precies tussen m’n duim en
wijsvinger. Galant maakte hij een diepe buiging
waarbij onze hoofden hard tegen elkaar knalden.
Toen ik goed keek zag ik hoe het kwam. Dit mooie
mens kon niet zo heel goed zien. Hij wreef over
zijn hoofd en schonk me een stralende lach.
Alsof hij gedachten kon lezen zei hij: ‘Maar ik
ga altijd op de fiets hoor naar school. Dan weet
ik precies hoe de weg loopt. Zo, kijk’ en met
zijn hand aan een denkbeeldig fietsstuur rende
hij een rondje om me heen en verdween achter een
paar bomen.
De lavendellucht werd ineens bedwelmend intens.
De strakblauwe lucht zinderde. Ik hoorde krekels
en voelde dat ik niet alleen was. Maar er was
niemand te zien. Opeens rook ik onvervalste
Hollandse herfstlucht en dreven frivole
wolkenpartijen voorbij. Daartussen ontwaarde ik
een lange slinger woorden en de wind fluisterde
zacht maar indringend klanken die ik al van
buiten kende.
Reageer
op deze column...
Geschreven op 15 september 2010 |
|
|
|