Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Foute man
Ik gruw van mannen met kleine voeten. Mannen met foute krulsnorren. Mannen met gele of bruine tanden. Geel, vet haar,...tepelpiercings, roze speknekken, onterechte geile blikken, kippenknieën, opzichtige neusharen, grote groezelige onderbroeken en mannen die zo godvergeten uit hun smoel meuren dat je ze ‘ruikt’ aankomen.
Ik sidder van mannen met té grote colberts, slobberende ribbroeken of zogenaamd uitgekiende outfits à la Jort Kelder, wuivende VVD-lokken, bekakte sigaren, dikke konten, walmende oksels en goedkope aftershaves. Ik kokhals van zelfgenoegzame kwallen die de vrouwtjes wel even komen vertellen hoe de wereld smaakt. Die een toverbal aan kleuren van hun tong laten rollen als ze denken indruk te maken. Ik ga meppen van mannen die hun nagels manicuren, eruit zien alsof ze nooit een schop in de grond steken en van mannen die een fiets naar de fietsenmaker brengen omdat ze een lekke band hebben. Maar het allerergste zijn mannen die ‘oeps’ zeggen als ze een vette boer of goede scheet laten. Oeps? Oeps! Voor een oprisping als deze heb zelfs ik geen benaming voorhanden. Hiervan krimpen mijn woorden tot er niets anders meer overblijft dan schrapende stilte.
Vroeger had ik een buurman. Hij kwam uit Winterswijk. Een ambtenaar. Een echte. Met bleekblonde haren in een nette scheiding, een geblokt overhemd met daarover een beige trui, bruine schoenen om voeten die gewend waren zacht te sluipen. Kleine, weke voeten. Zo’n man waar geen vrouw naar omkijkt. Grijzer dan grijs. Gewoner dan gewoon. Ik noemde hem in mijn tienerjaren De NSB-er. Hij gleed met zijn begerige oogjes langs mijn melkbleke borsten in wording. Hing uit het raam en vroeg: “zijn je ouders niet thuis,...weet je wel dat je ligt te zonnen,...ben je niet bang dat iemand je begluurt?” Dertien was ik. Zijn mond stond een beetje open en ik wist intuïtief dat zijn bedoelingen niet in de haak waren. Hij was te bang voor oneerbare acties, aanrandingen enzo, maar alleen het kijken en aanspreken gaf deze zielige miezer een seksuele kick. Toen ik naar binnenvluchtte en alle deuren afsloot belde hij aan de voordeur. Ik hoorde hem piepen,...”ik wilde je niet laten schrikken,...mag ik binnenkomen, kan ik even met je praten.” Zijn stem afgeknepen, de brievenbus als klepperig gedram op de achtergrond. Even later ging de telefoon. Hij gaf niet op. Wilde “dolgraag iets recht zetten”. Razendsnel schoof ik de gordijnen dicht en kroop bibberend achter de bank. Pas toen ik de auto van mijn ouders hoorde aankomen durfde ik tevoorschijn te komen en schreeuwde in een opwelling mijn angst door de brievenbus, “Ga dit maar eens uitleggen aan mijn vader en moeder!” Nou, dat deed hij. Diezelfde avond nog. Op de bank van mijn ouders. Met zijn zijige, witte handen gekneld tussen zijn bevende knieën. Zijn vrouw, met haar mollige armen over haar reusachtige boezem gevouwen, kordaat naast hem. Ze zei tegen hem, onderwijl strak voor zich uitkijkend: “Red je hier maar weer uit. Dit is niet de eerste keer.” Haar bungelende beentjes konden net niet bij de grond.
Zijn vernedering was een feit. En is het anno 2010 nog, want steeds wanneer ik hem spot, vlakbij mijn ouderlijk huis, kan ik het niet laten zijn lafhartige ego te verbrijzelen met een indringende blik. Ik gruw van mannen met kleine voeten.

Reageer op deze column...
 
Geschreven op 20 februari 2010
 

Sitemap