| |
Column
Grenzeloos
“Ja,” zeg ik, “dat is ok. Ja hoor kan wel. Geen
probleem, regelen we. Laat maar weten hoe en
wanneer. Komt voor de bakker.” Amper terug van
een ontspannen vakantie zijn tig afspraken
alweer gemaakt en zet ik mezelf akelig klem
tussen werkelijkheid en fictie. Ik besluit ter
plekke dat dit nu echt de allerlaatste dag is
dat ik mijn agenda laat bepalen door anderen.
‘Nee’ zeggen, dat ga ik doen! Terwijl een aantal
kleine logees door de woonkamer rennen (“ja ok,
blijf maar logeren”) besef ik dat je alleen zelf
je eigen grenzen kunt aangeven.
Één grens is dat ik mijn werkweek in beton zal
moeten gaan gieten. Muurvast verankeren, door
niets en niemand meer te verschuiven. “Huur een
kantoor,” zegt manlief, “buitenshuis. Daar waar
je ongestoord kunt werken.” Geen gek idee, denk
ik terwijl de decibellen van de rennende en
gillende logees om mijn oren knallen en ik
krampachtig probeer door te werken. Een andere
grens is delegeren. Dus niet als een soort
voorovergebogen fanatieke keep de rotzooi
opruimen van de gezinsleden, maar taken
uitdelen, controleren of ze worden uitgevoerd en
de helpers complimenteren. Welbekend is
natuurlijk dat ik het zelf tien keer sneller
doe, zonder bokkige pubers en eigenwijze
jongelingen, die lankmoedig onderuit gezakt op
de bank wachten tot mijn grens is bereikt, maar
ja.
Ik ken enkele vrouwen en massa’s mannen die
steengoed zijn in de afbakening van het ‘ja’ en
het ‘nee’. Zo goed, dat ik ze jaloers gadesla
vanaf die wiebelende zijlijn waar mijn ‘ja’ en
‘nee’ radeloos heen en weer zwenken tot het
‘nee’ weer eens in de diepte verdwijnt en ik laf
‘ja’ zeg. Zoals het rotsblok dat afgelopen week
in Albufeira (Portugal) met een donderend geraas
het strand op stortte. Koud waren we er
weggereden toen we het nieuws hoorde op de
radio. De autoriteiten hadden met een rood-wit
lint een stuk strand afgezet. Een bordje PREGO
VALLEND GESTEENTE moest de bezoekers ervan
weerhouden te gaan zitten onder de schaduw van
de rots. ‘Vijf mensen omgekomen’, lees ik de
volgende dag in de krant. Grens overschreden
dus. Wel met de dood moeten bekopen. Zuur.
Opeens bonst mijn hart in mijn keel. Onze
Portugese vrienden, ik moet ze bellen. Ze zouden
toch niet,... De telefoon gaat 2x over. “Hello
Kaatiaa, Bom Dia, sim, sim, estou bem, we are ok,...ok,….and
you?” De opluchting maakt plaats voor een ter
plekke gestolde heimwee die me nagelvast wegzet
en zeker een uur laat staren richting het frisse
groen van onze Nederlandse tuin. Heimwee naar de
geur van citrus, bloesems en blauwe
Jacarandabloemen die na maanden onder
teenslippers vermalen te zijn nog steeds een
intense lucht verspreiden. Naar de warme wind
die geruisloos langs gebleekte haren strijkt,
die bittere, sterke espresso met een glas water
ernaast, naar sardientjes rechtstreeks uit de
zee die als Russische baby’s gebroederlijk naast
elkaar onder een dikke laag zeezout liggen, naar
het schommelend genoegen in de hangmat onder de
Johannesbroodboom. Heerlijk land waar grenzen
eenvoudig worden aangegeven door zonuren en
alleen idioten tussen 12 en 15 op het strand hun
bleke vellen laten verbranden. Waar kinderen om
23 uur nog lachend achter elkaar aanrennen,
nadat ze per persoon een halve kilo
reuzenscampi's hebben gegeten. Waar
stofzuigers teveel lawaai maken en worden
vervangen door zachte vegers die slechts wat
vuil en zand verschuiven. Dus? Dus borrelt nu
-in het werkdriftige Nederland- een krachtige
stem op die vaker ‘NEE’ zal gaan zeggen. Obrigada!
Reageer
op deze column...
Geschreven op 24 augustus 2009 |
|