Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Hummen
Erger dan zachtjes neuriën is binnensmonds ‘hummen’. Ik weet niet waarom, maar een hummende-medemens is erger dan een vloek, erger dan een klap, erger dan een rij potsierlijke, montere smurfen vol goede moed op een bospad. En ik heb NIET gedronken! Een hummend mens heeft het fantastisch voor elkaar. Althans, dat vinden ze zelf. ‘Volmaakt tevreden’ met hun leventje. Brrrr. In de gradatie het-kan-altijd-erger staat bij mij de hardop-hummende soortgenoot. Jawel, prototype kantoorklerk. Ze kondigen zichzelf luid en duidelijk aan wanneer ze ergens binnenkomen. Wij zeggen: “goedemorgen”, of “hallo”, zij zeggen, “pom-bedom-bedom, lo,lo,lo” of “lo-lo, haaaaloooo”, of “hier-is-‘ie-dan, Janneman”. Moet ik meer zeggen? Ik hoop het niet. Het zijn mensen waar de tenen krom van in je schoenen schieten en die je, nog voor je ’s ochtends je eerste kop koffie drinkt, al een dreun wilt verkopen.
Je ziet ze overal. En vandaag tref ik er een in de supermarkt. Zijn gehum is niet te missen. Ik spot er een ritmisch zwaaiend winkelmandje bij en weet: onmiskenbaar een hummer. Duiken! Maar het is te laat. Ik, die ongewild een zuigende aantrekkingkracht heb op deze misbaksels, sta
plots oog in oog met zo´n zelfvergenoegzame manmens. Grijzende slapen, kaal hoofd, linnen tasje in de ene hand, rood mandje in de andere. “Oooo, pardoooon,” zegt hij en even denk ik dat hij de eerste noten in gaat zetten van een opera. Ik grom. “Hoezo pardon?” “Pardoooon, dat ik bijna tegen U opliep, mevrouwtje.” “Ja, nou en. Bijna is niet helemaal,” zeg ik bits en probeer hem voorbij te lopen. Daar steekt hij, breeduit lachend, een stokje voor. Hij zet een stap opzij en nu bots ik tegen zijn gewatteerde, groene jas. Gdvrdmm. Hij buigt zijn hoofd en probeert onder mijn hoofddeksel te kijken dat van ergernis over mijn wenkbrauwen is gezakt. “Wat zei U, mevrouwtje?” In mijn fantasie begin ik hem ter plekke te wurgen, deze, deze, deze,...vreselijke ambtenaar, deze belastingadviseur, deze duivenmelker, deze clandestiene pornokijker. Ik zwiep met mijn mandje en raak hem op zijn knie. Hij hinkelt even en als ik een paar meter verder ben hoor ik nog net: “O-la-la-we-hebben-een-slecht-humeurtje-zeker-vandaagjes.” Ik zweer je dat hij “vandaagjes” zei.
Het kwam niet meer goed met mijn humeur die middag. In die zin had de hummer gelijk gekregen. Opgetogen etter. En zelfs als ik met een grote boog om dit ras wil heenlopen blijven ze mijn leven doorkruisen. Meteen de volgende dag al was het weer raak. Langs de lijn van het sportveld, stond een hummer-zonder-woorden. Ik zag het meteen. Pompperdomdiedom in lichaamstaal. Nee! Terwijl de ouders langs de lijn luidruchtig hun kinderen aanmoedigden, werd mijn aandacht getrokken door de stille man van rond de veertig, ongeveer 1.65 lang, schoenmaat 37 en peper- en zoutkleurig haar in een VVD-scheiding. “Kijk mij, kijk mij, kijk mij!” Hij hield een balletje hoog. Ach. Met een oude hockeystick uit zijn ‘succesvolle’ jonge jaren. Hij tikte en tikte. De hele wedstrijd door. De bal sprak. De man zweeg. En toch was het gvd weer zo'n energieverslindende hummer.

Reageer op deze column...
Lees ook het nieuwe gedicht van deze week...


Geschreven op 17 januari 2010
 

Sitemapp