|
|
| |
Column
Jochem
Hij heet Jochem en heeft het meest aandoenlijke
gezicht van alle kinderen die ik ken. Jochem
zonder achternaam. Jochem is acht jaar en is
sinds een maand of drie met zijn twee broers van
drie en zes jaar uit huis geplaatst. Zijn blonde
piekhaar verstopt onder een te grote pet. Bleek
gezicht, zalmroze wangen, stoere schoenen en een
zachte, hese stem. En, ik zei het al,
hartverscheurend lieve oogjes. Onze tuin grenst
aan een school voor speciaal onderwijs.
Daarachter woonunits voor uithuis geplaatste
kinderen. De setting. Het kind. Mijn tranen. Dit
lieve prachtige mooie jongetje kan, om welke
reden dan ook, eventjes niet thuis wonen. Hij
staat naast me in onze tuin en aait onze hond.
Hij is verrukt van de hond. En de hond van hem.
Als Jochem voorbij fietst blaft de hond een keer
heel hard. Zo van, ‘Hé Jochem, kom je me niet
aaien?’ Jochem knijpt al in zijn handremmen en
draait om. Natuurlijk komt hij hem aaien. De
ziel van de hond versmelt met dit kleine mensje.
Dit mensje dat misschien al meer heeft
meegemaakt dan wij willen weten. Zo snel als hij
er is, zo snel is hij ook weer weg. Hop. Op zijn
fiets. ‘Dag.’ ‘Dag Jochem.’ Maar dan stopt hij
en kijkt nog even om terwijl hij roept: ‘Ik moet
gaan hoor, want mijn moeder komt zo.’ ‘Leuk,’
zeg ik nog, ‘groetjes aan je moeder.’ Onnozel en
naïef blijkt later, want hij komt teruggefietst
en zegt, onderwijl mij strak aankijkend; ‘Ze
komt Vincent mijn kleine broertje halen. Ik mag
niet mee naar huis in de meivakantie.’ De tranen
lopen nu in straaltjes over mijn wangen. Dit is
de andere kant van het leven. Een kant waar veel
mensen niet dagelijks mee geconfronteerd worden.
Ik wist het! Podver. Gelukkig heb ik mijn
zonnebril op als ik deze kleine goudvink
uitzwaai. ‘Dag Jochem, dag jongen.’ ‘Daaaag!’
Reageer
op deze column...
Geschreven op 24 april 2009 |
|
|
|