|
|
| |
Column
Oh-die-kerst
Het is lente buiten. Althans dat denken de
mezen en de vinken, ze fladderen opgewekt achter
elkaar aan. De eekhoorn springt van tak naar tak
en laat een eikel uit zijn bek vallen. Deze
verspilling kan hij zich kennelijk permitteren.
Ook de bomen bereiden zich alvast voor op de
zomer. Het lentekleed dat ze aantrekken is
zalmroze en aan de beuk ontrollen zich een paar
groene blaadjes. Als de winter onverwacht komt,
schrikken ze zich wezenloos, deze trouwe
dienaars van de natuur. Denken ze nou werkelijk
dat de temperatuur hen de weg wijst naar de
zomer? Onnozele ganzen. Nou, mij foppen ze niet.
Ik doe alsof het winter is en trek mijn
winterjas aan, bind een wollen sjaal voor en zet
mijn muts op. Op naar de Kerstbomenman. Binnen
een kwartier ben ik nat van het zweet.
Volhouden! Volhouden, zo ineens komt ‘ie, die
gluiperige winter die zich tot februari vermomt
als zoetzachte pasteldroom. Ik sleep de
kerstboom aan zijn kruin naar binnen en plant
het mormel in een oude rieten mand. Hoe vaak al
is dat ding omgevallen in onze familiecarrière?
Te vaak denk ik gnuivend. Net goed! Mijn luiheid
wordt genadeloos afgestraft. Ieder jaar weer.
“Timmer toch eens een kruis onder dat ding,” blaf
ik tegen manlief. Maar ik weet dat hij dat niet
zal doen. Ook hij is inmiddels -tegen wil en
dank dat wel- gesteld geraakt op die oenige
traditie. Het krakende geluid voordat ‘ie valt.
Meesterlijk. En dan die landing. Ruisende
linten, kartonnen ballen die tegen elkaar
tikken, zilverharige engeltjes die schijnheilig
de val willen verzachten, hun armpjes
uitgespreid, hun mondjes in een perfecte “O.
OOOOOO.” En dan die uiteindelijke dreun. De
wegspringende scherven, de kitscherige piek die
precies bij de bol zijn punt verliest, de
kortsluiting van honderden lampjes die elkaar al
vanaf het moment dat ze in de boom werden
gemikt, angstvallig vasthouden. De stilte
daarna. De gezichten van de kinderen die voor de
vorm wel even theatraal de handen voor hun
monden willen slaan. Niet meteen uiteraard, ze
moeten eerst even de afstandsbedieningen
neerleggen. “Oeps, de boom. Maaaaam! Jouw boom.”
Ja, dan is ‘ie opeens weer van mij. Ik leg
zuchtend de zaterdag bijlagen van De Volkskrant
neer en kijk om de hoek. Wat een prachtige val.
De naalden die bij de meeste gezinnen pas op 2
januari vallen, liggen als een lauwerenkrans om
de gestorven bosreus. “Hoeveel ballen nu weer?”
roepen ze vanaf de bank, terwijl hun getrainde
handen alweer de knoppen beroeren van Grand Slam-Tennis of weet ik veel welk onmogelijk
behendigheidsspelletje waar volwassenen binnen
vijf minuten evenwichtstoornissen van oplopen.
Ik tel twee gesneuvelde ballen en een gebroken
piek. Precies als voorgaande jaren, want de rest
is onbreekbaar. Zo ben ik dan ook wel weer.
“En nu moet je nog even zeggen ‘scherven brengen
geluk mam’.” “Ja, ja, scherven brengen geluk,”
zeg ik op commando. Dat we maar een harmonische
kerst mogen gaan beleven. Zonder misplaatste
verwachtingen van hoopvolle familieleden,
keihard geworden eendgebraad, burpende monden
van teveel roomboter en zelfgeknutselde
croissants. Om maar te zwijgen over de
aangroeiende kilo’s die zich als een kerstkrans
rondom het middel vleien. Ach, ja die kerst. Nog
maar negentien dagen,....dan mogen kilo's
irreële verwachtingen, opgefokte leukigheid,
onuitgesproken familie-ergernissen en
vruchteloze hoop op ouderwetse ijsbloemen, samen
met de boom aan de straat.
Reageer
op deze column...
Geschreven op 12 december 2009 |
|
|
|