|
|
| |
Column
Lekbed
Logeren is een vak apart. Sommigen zijn er
bedreven in. Ze pakken, vergeten niets en
stappen monter in de auto. Ze laten eigen bed
voor wat het is en slapen de eerste nacht in den
vreemde gewoon net zoals thuis. Mijn lieve broer
is een goede logeerder. Jaren geleden kwam hij
geregeld bij ons over de vloer. Rugzak op. Van
alle gemakken voorzien. Hij sloeg zijn
tentenkamp gewoon op daar waar hij neerstreek.
Dat ik vervolgens twee dagen lang struikelde
over zijn zooi leek hem niet te deren. Ons huis
was zijn huis. En gelijk had hij. Nu de hele
familie een keer in ons ouderlijk nest
bijeenkomt en moederlief heeft verzonnen dat
kinderen, aanhang en kleinkinderen blijven
logeren kijk ik naar de uitzet van mijn broer en
zijn vrouw. Hij lacht geniepig. Ja, natuurlijk ´very
well prepared.´ Ik had het kunnen weten. Hij
sist tussen zijn lippen. Het geluid van een
zichzelf opblazend luchtbed. Mijn lief kijkt me
aan. Heb jij de pomp meegenomen? Gruwel. Nee.
Dat wordt blazen. Ons tweepersoons luchtbed met
blaasgat zo groot als een rioolgat ligt
uitnodigend voor ons klaar. Broertje verschuift
de salontafel. Steekt de stekker (??) van zijn
tweepersoons luchtbed in het stopcontact en
wappert met zijn handen. Het bed ontvouwt zich
voor onze ogen als een soort mobiele auping.
Zijn vrouw pakt ondertussen twee kussens uit een
grote tas, een fleecedekentje, een onderdeken
(ja,want op koude lucht slapen is chilly???) een
dekhoes, twee donkerblauwe nomatslaapzakken
(‘ritsen we ze aan elkaar schat?’) en twee paar
pyjama’s en sloffen geschikt voor expeditie
Noordpool. Mijn lief en ik blijven nog even
kijken naar Hans Klok en zijn lieftallige
assistentie. Binnen vijf minuten is het Piet
Klerkx slaapkamer-a-meublement klaar. ‘ Trusten
hč.’ Mijn broer bijt gnuivend op zijn lip.
‘Succes met jullie prehistorische luchtmatras.’
Boven hoor ik man en pap ombeurten blazen en
zacht vloeken. Duurt maar een half uurtje. ‘Heb
je een dekbed? Onderlakens, kussens?’ ‘Ik? Neuh.’
Als de longen smeken om genade kan de stop op
het gat. Mijn lief lacht zowaar een beetje.
‘Kijk het past precies in dat tweepersoons bed
waar een uur geleden nog een zacht matras lag en
waar nu onze kinderen op liggen te slapen. Yeh,
right. Het sissende geluid komt niet van de
verwarmingsketel. Ook niet van die joker
beneden. Een gaatje kleiner dan een speldenprik
giechelt alle benevelde alcohollucht van beide
mannen uit het luchtbed. Sjit, sjit. Plakken. Ik
mag als Hansje Brinker (de dijkredder) mijn duim
op het sissende gaatje houden. Tapen. Gewoon
tapen. De alcohol werkt hier ook niet echt in
ons voordeel. Een grijze lap alles-plak-tape
stopt de uitstroom. We kruipen dicht tegen
elkaar aan en proberen de slaap te vatten onder
een zachtroze spreitje. Slapen op koude lucht??
Wonderfull. Om drie uur in de nacht draai ik om.
Mijn hoofd knalt hard tegen de houten rand van
het bed waarin ons luchtbed zo mooi paste. ‘Podver.’
We zijn twintig centimeter gezakt. De dijk is
doorgebroken. Wel ja. Beneden hoor ik een
automatische pomp. Zou dat geavanceerde ding de
hele nacht doorpompen? Vals hoop ik op een
enorme explosie van mijn broers meterdikke
tellsell luchtbed. Pats. Boem. Geland. We kijken
elkaar aan. Wat nu? We kruipen op de andere
kamer naast vier ronkende kinderen. Lekker warm
dat wel en zacht. Ook ja. Maar we liggen als
twee garnalen op de zij en kunnen een soepele
draai wel vergeten. Kun je van een nachtje ook
doorligwonden krijgen? We dommelen de nacht door
en worden wakker door de klaterende lach van
broerlief. Hij is inmiddels door onze fitte
kinderen ingelicht. Gerechtigheid komt
even later als hij schoorvoetend moet bekennen
dat dat pompende geluid inderdaad van zijn
lekbed afkomstig was. Ieder uur een paar minuten
bijblazen. Aha. ‘Maar wel met de stekker in het
stopcontact.’
Reageer
op deze column...
Geschreven op 15 februari 2009 |
|
|
|