Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Ongeluk
Een zweem van groen rukt op. Langzaam maar gestaag. Her en der vlakken witte en roze bloesems. Het exploderende kleurbeeld compleet. Binnen doet de sfeer van het jonge groen het ook goed. Alsof de natuur een carbonnetje legt en buiten over binnen trekt. Nou ja, het verrast de stille werker. Laat ik het maar zo formuleren. Ik zit zijdelings met de rug naar het groen achter mijn pc en heb er toch zicht op. Schuin naar links zie ik vanuit mijn ooghoeken een machtig grote eik waarvan de blaadjes in miniatuurformaat beginnen te komen. Het vogelhuis op grijsgroene stam geeft onderdak aan twee pimpelmezen. De baltsende dans voor de deur is aandoenlijk en houdt mijn aandacht enkele ogenblikken vast. Daarachter het aardse leven. De speelcaravan van ons kroost. We kochten het uitgeleefde ding vorig jaar voor een appel en een ei van een bejaard echtpaar uit Hengelo O. 170 km. Heen en ook weer terug. Tsja, je moet er iets voor over hebben.
Als we er bijna zijn worden we op de provinciale weg vlakbij Hengelo aangehouden door de politie. Even verderop is een fietser aangereden door een rood bestelbusje. Dat zien we, want de fiets ligt nog op de weg en de bestelbus staat er tegenaan. Iemand van de politie spuit met een busje witte verflijnen om de situatieschets te duiden. Ai, ai. De fietser is in geen velden of wegen te bekennen. Afgevoerd waarschijnlijk. Het lijkt ons zaak de plek des onheils zo snel mogelijk voorbij te rijden. Dat mag van de politie. Door de berm weliswaar, want de hele weg is versperd. De kinderen zitten ondertussen omgekeerd in de auto en doen plastisch verslag van hetgeen ze zien. ‘Geen bloed, nee geen bloed. Wel een veeeet remspoor. Wow! Die is echt geraakt jonge. Sooow hé.’ ‘Ja, ja zo kan ‘ie wel weer,’ probeer ik de SBS6-achtige verslaggeving enigszins in te dammen. We konden toen nog niet bevroeden dat de fietser op wel zeer surrealistische wijze ons leven zou binnenschuiven. Nee, gelukkig niet letterlijk. In een vooroorlogse woonwijk zoeken we het huis van de caravanbezitter en zien het oranje-witte-geval al van verre opdoemen. Reactie achterbank laat zich raden. Enthousiast. Dat zeker. Bij de voordeur van het huis twee jonge mensen. Wachtend op ons, geïnteresseerde kopers. Het meisje geeft een slap handje en kijkt van mijn lief naar de caravan en van de caravan naar onze trekhaak. ‘Ik sta hier in plaats van vader,’ zegt ze met een oorverdovend Twents accent. De jongen aan haar zijde stelt ze voor als haar broer. Aangenaam. Ook zijn hand is klam en slap. ‘We hebben net te horen gekregen dat vader is aangereden. Hij was met de fiets op weg naar huis en is geschept door een auto.’ De film krijgt zowaar beeld en geluid. Binnen enkele seconden wordt ons duidelijk dat het de bejaarde eigenaar van de caravan is die daar op die 80 km weg is aangereden. Hoe macaber. ‘Hij zit goed in de kreukels hoor,’ zegt ze nog, terwijl wij hoofdschuddend proberen deze situatie grond te geven. ‘Is hij dood mam?’ Een van de kinderen wil helderheid. ‘Neuh,’ zei het meisje snel. ‘Hij overleeft het wel hoor, die ouwe taaie.’
We moesten maar eens overgaan tot de orde van de dag. Inspectie van de caravan. De geur van 40 jaar vakantie stuift werkelijk onze neusgaten binnen. Bruin-oranje kussens, een bruine lampenkap met witte franjes en een gele koelkast (‘laat maar dicht zitten schatje,....’).
‘We zijn er vorige week nog mee weggeweest. Naar Duitsland.’ De jongen doet nu ook zijn mond open en vecht ondertussen tegen zijn Tukkerse tranen. Dan glijden mijn ogen langs plakkerig, besmeurde opgevulde hoeken en richels. ‘Duitsland, leuk,’ probeer ik geforceerd. Manlief heeft het bedrag al in de aanslag. Al zouden we anders willen, deze koop is beslecht. Ik zie het aan zijn ogen. Nog voor we überhaupt kunnen gaan twijfelen heeft het lot ons deze sleurhut in de maag gesplitst. ‘Prima caravan, we nemen hem,’ zegt lief monter en legt de biljetten zonder ook maar één onderhandelingspoging in de trillende handen van het meisje. We nemen afscheid. Potsierlijk en glimmend van trots kijken de kinderen naar het meerijdende stuk vakantieleed en spontaan joelen ze, ‘houdoe en bedankt olé, olé,....’ De lamp wiebelt mee achter de groezelige vitrage. ‘Aah, mam kijk de hond (ja, die is ook mee) vindt de caravan moooooi.’ ‘Heb jij eigenlijk wel een stempel in je rijbewijs om te rijden met zo’n ding?’, vraag ik voorzichtig. Lief lacht. ‘Ssttt. Heb mijn rijbewijs niet eens meegenomen. Iedere dag een risico.’ En voor we het weten worden we met auto én aanhang wederom langs de brokstukken van de aanrijding geleid.

Reageer op deze column...


Geschreven op 16 april 2009
 

Sitemap