|
|
| |
Column
Paranoia
Het was even rustig in de media. De
dramatische Koninginnedag veegde de varkensgriep
met één maai van de voorpagina's. Kennelijk viel
het wel mee met die muterende zieke
varkenskiemen. Opgelucht ademde ik weer rustig
in en uit. In de meivakantie kreeg ik nog wel
even een lichte oprisping. Ik dacht aan al die
kinderen die met hun ouders vliegend naar verre
bestemmingen gingen (de juf van de jongste zat
vlakbij Mexico) om na deze vakantie hoestend de
opgedane ellende in de klassen van onze lieverds
te verspreiden. Om dit te bezweren heb ik een
mail gestuurd naar de scholen en ze gevraagd wat
het beleid in dergelijke situaties. Ik kreeg
keurig antwoord. De scholen krijgen adviezen van
de GGD. Als zij geen alarm slaan is alles
veilig. Ja, ja. Gelukkig ben ik geen schooldirecteur. Ik zou er toch wel
een paar nachtjes van wakker liggen. En actie
gaan ondernemen. Waarschijnlijk geheel ten
onrechte. Tsja.
Nu het nieuws van alledag richting komkommertijd
kwakkelt, lees ik weer over die enge
varkensgriep. Prominent op de voorpagina.
Natuurlijk kan ik de Volkskrant gewoon
wegleggen. Het artikel niet lezen. Ik denk aan
mijn nuchtere schoonmoeder. Zij zei onlangs dat
ze zo'n virus al eens heeft meegemaakt.
Toen ze op de Kweekschool zat. Binnenblijven was
het devies destijds en veel vitamine C slikken.
Ze heeft gelijk, want ik zie dat personen van vóór
1957 geen risico lopen op besmetting. Het is met
name gevaarlijk voor personen tussen de 6 en 18
jaar. Ppffff, daar hebben wij er vier van. Met
mijn paranoia, bijna ziekelijke angst voor dood
en verderf zit ik niet echt in het goede veld
dus. Zal ik vast Tamiflu in huis halen? Hij ziet
me aankomen die huisarts van ons. ‘Ach, daar heb
je Katja. Natuurlijk Katja. Met stip op één in
actieradius.’
In het jaar 1995 wilden we graag dat ik zwanger
zou raken. Ik had iets gelezen over foliumzuur
en stond, vermoedelijk als eerste Nederlandse,
bij de huisarts. Hij keek me aan en zei
venijnig: ‘Dat is medicalisering van de
zwangerschap.’ Ik kreeg het niet mee. Datzelfde
jaar heb ik in Portugal foliumzuur gekocht bij
de plaatselijke apotheek. Makkie. De dosis
bleek, zo vertelde mijn apotheek in Nederland
later, zo hoog dat ik voor de rest van mijn
leven genoeg van het middel had binnengekregen.
En die speciale inenting tegen de
meningokokbacterie? Bibberend zoog de huisarts
de door mij zelf gekochte vloeistof uit de
ampullen om onze kinderen te vaccineren. Hij
vond het grote onzin die vaccinatie en keek me
wederom priemend aan. ‘Doe dit niet zo vaak,’
zei hij nog, alvorens hij ontdekte dat hij een
te kleine naald (voor baby-vaccinatie) op de
ampul had had geschroefd. ‘Foutje, sorry
kinderen even de grote naald pakken,’ zei hij
gutsend van het zweet. Het was de enige keer dat
ik de kinderen met al mijn kracht heb moeten
vasthouden. De bloednerveuze huisarts
schreeuwde: ‘fixeren die kinderen.’ Wat een
loser. Een paar maanden later moest ieder kind
in Nederland verplicht geënt. Ik had inmiddels een andere
arts gevonden. Het kwam niet meer goed tussen de
prikker en mij. Onze nieuwe huisarts begrijpt
mijn karakter beter dan wie dan ook en zei al
na een paar bezoeken: ‘Ik denk voortaan voor
jou. Jij vertelt mij slechts je zorgen.’ Zalig,
zo’n man. Ik zal hem binnenkort eens
bellen. Kijken of hij mijn op hol geslagen
nachtmerrie voor gevaarlijke pandemieën kan
intomen. Vast.
Reageer
op deze column...
Geschreven op 16 juni 2009 |
|
|
|