Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Stelen

Mijn telefoon is oud. Nou en. Dat zeg ik tegen de vrienden van mijn kinderen als ze meewarig naar ´dat ding´ kijken. Zelf lopen ze met de meest geavanceerde toestelletjes die een godsvermogen kosten en meteen kapot gaan als ze vallen. Dat zeggen ze zelf. Die kids. Mijn telefoon mag van twee hoog naar beneden kletteren. Geen probleem. Sms-en in de regen? Kan ook. Tussen hondenbrokjes in de jaszak? Het gruis tussen de toetsen schaadt mijn geweldige Nokia niet. Kom daar maar eens om bij zo’n hypermoderne iPhone. Nu stond ik dan ook vreemd te kijken toen mijn telefoon opeens was verdwenen van een tafel in een restaurant. Wie wil mijn telefoon? Juist niemand! Dat dacht ik ook. Maar het ding was weg. Een nacht. Twee. Drie. Ik begon er goed van te balen. Je beseft opeens hoe ‘verslaafd’ je bent aan de wereld in je tas zal ik maar zeggen. Niet dat ik nou zoveel word gebeld. Zoonlief: ‘ik kom eraan mam, ben over tien minuten thuis.’ Manlief: ‘ben er bijna schat.’ En af en toe een verdwaalde leverancier of een gevat sms-je. Lekker rustig. Ik begon mijn eigen toestel te bellen. Met de huistelefoon. Voicemail. Perfect. Had de ‘jatter’ het ding uitgezet? Of is de batterij gewoon leeg? Kan ook. Maar weer eens langs het restaurant. Je zag ze kijken. Heb je d’r weer. Een charmante ober stond op een afstandje te kijken en wandelde even later op zijn gemak met me mee naar de uitgang. ‘Zoek je je mobiel?’ ‘Ja! Hoe weet jij dat nou?’ ‘Ik hoorde je zojuist praten tegen de chef. Ik weet misschien wel waar je toestel is.’ ‘Oh. Waar dan?’ ‘Bij mijn collega. Hij heeft een mobiel gevonden. En mee naar huis genomen.’ Ik had natuurlijk onmiddellijk moeten vragen waarom? Waarom heeft je collega dat ding meegenomen? Maar mijn bloed stroomde zo snel door mijn aderen dat mijn denkvermogen werd beperkt. Ik wilde hem eigenlijk kussen. Die ober met zijn trouwe hondenogen. ‘Kom morgen even langs dan weet ik meer,’ zei hij zwoel en ik moest mezelf dwingen niet naar buiten te huppelen. Mijn mobiel is gejat. Door een ober. Die mijn stalkende telefoontjes zat was en het ding heeft uitgezet. En nu is er een engel-ober. Die weet hoe het zit. En die zijn collega gaat aanspreken op diefstal. Jaaaa! Gerechtigheid. De volgende dag stond de ober alweer op zijn vaste plek. Lekker. Van die ijkpunten in je leven. Die er gewoon zijn. Iedere dag weer. Denk vaak aan dat soort vastigheden van alledag. De postbode in zijn oranje-witte auto. Half twee in de middag. De krant. Op tijd. De slager! Present. De juf. Jawel. Half negen. Zelf krijg ik claustrofobie van een vaste baan. Ik weet het. Dat is nogal kinderachtig. En ik schaam me er eerlijk gezegd ook voor. Dat gefladder van links naar rechts. Wat levert het nou daadwerkelijk op? Bouwers heb je nodig. Veel stevige bouwers. Mijn ober wenkt me. ‘Is het een oude Nokia? Met veel foto’s en filmpjes?’ Ik knik. Ja, ja, ja. Dat is MIJN mobiel. In zijn hand lijkt het apparaatje nog kleiner. Uit. Het ding staat uit. Zoals verwacht. Eenmaal aan blijkt alles er nog op te staan. Inclusief rare familiefilmpjes. Alleen de datum is gewist? Vreemd. En telefoon staat op vergaderstand? Hè? De bewijzen van diefstal dienen zich een voor een aan. De stelende ober (uiteraard nergens te bekennen) is oprecht geïnteresseerd geweest in mijn fossiele telefoon. Met de goede afloop op zak kan ik er ook wel weer om lachen. Oud? Wie zegt hier oud? Dat ding is gewoon nog marktwaardig. Dát zeg ik voortaan tegen al die verwende kinderen met hun openklapbare, zelfroterende, bierschuimende, internetsoufflerende, toestellen die je met je ogen kunt bedienen.

Reageer op deze column...
 
Geschreven op 05 maart 2009
 

Sitemap