Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Testosteron
Drie auto’s rijden stapvoets achter elkaar in ons straatje. De voorste auto ken ik. Dat is de oude Golf Cabrio van mijn buurman. Alleen zit hij niet achter het stuur, maar zijn 20-jarige zoon. Met naast zich een blonde vrouw. Even oud zo te zien. Ze hebben het zwarte dak open gevouwen. Als ik inadem waait een hormonale wind van uitgelaten twintigers mijn kant op. Het lijkt wel of de auto’s – die andere horen ook bij de Cabrio – een stukje boven het wegdek zweven. Er stapt iemand uit. Een lange, stevige vent met een knappe kop. De anderen lachen en stoppen ook. Ze zwaaien en kijken naar elkaar. Ik zucht. Wat een leven. En zucht nog maar eens. Nu is het voor mij zaak zo meteen fris en fruitig te groeten. Niet te uitgelaten natuurlijk, dat is voorbehouden aan die lentelingen, maar ook niet als 40-plusser, chagrijnig en uitgeblust. Nee, iets daar tussenin. Monter, ja, monter. Oh, ze rijden weer. Bijna springend komen de voertuigen mijn kant uit. Nog 100 meter. Ik blaf tegen mijn hond, “aan de voet!” en adem nog maar eens diep in. Dat had ik beter niet kunnen doen, want mijn benen beginnen verdacht raar te zwalken. Het is ook wel een confronterende situatie, denk ik paniekerig. Ik als miss-midlife tegenover deze smakelijke colonne testosteron. “Nog een paar meter en het leed is geleden. Dan zijn ze me voorbij.” Ik prevel het hardop en probeer te lachen. Mijn kaken lijken wel in beton gegoten. Suffe doos, denk ik. Kom op! Gooi je haren naar achteren, trek je buik in, en lach. Lach als de lente. Lach als Susan Boyle na haar metamorfose. Het helpt. Een beetje dan. Ik zwaai en lach. Ze zwaaien allemaal terug. Wat kan hun het schelen? Ze hebben niets te verliezen, behalve die jaloersmakende ‘onschuld’. En mijn onschuld? Tsja, die is allang door vele stratenmakers onder de keien geplaveid. De scheve lach van mijn buurjongen schuurt nog even langs mijn wangen. “Zag je dat?”, zeg ik tegen mijn hond. “Zag je dat?” Mijn hond gaat er even voor zitten. “Zag je dat wat?” lijkt hij te vragen en opent zijn bek. “Nee man, ik heb geen brokje voor je. Ik heb niks.” Hij staat op en wandelt verder. Dat zou ik ook moeten doen. De straat is inmiddels weer teruggegeven aan de gewoonheid van zondagmiddag. De wind is gaan liggen. Ik kijk op mijn horloge. Vier uur. Heb ik die fles witte wijn nou koud gezet? Ik geloof het wel. En ja hoor, mijn lichaam snapt het weer. Lopen. Gewoon lopen. Maar, terwijl ik achter mijn lijf aansjok, slaat mijn hart een tikje over: die Allstars aan mijn voeten, die zien er opeens belachelijk jong uit. Zo jong dat ik besluit ze achter te laten waar ik zojuist vijf minuten heb staan staren. In de struiken staan ze schattig. Hagelwit, zonder veters. Dat nieuwe model waarvan de kinderen zeiden, “heb jij Allstars zonder veters mam? Vet!” Ik loop verder op mijn blote voeten. De grond is nat. En mijn humeur houdt het midden tussen dat van Alex en Bea. Zure muts.

Reageer op deze column...
 
Geschreven op 29 maart 2010
 

Sitemap