Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Vleugellam
Mijn oma is 96 en woont sinds een paar jaar in een donker bejaardenflatje aan de rand van het leven. Ze wil geen hulp van derden, nou ja, soms, heel soms, als je het lief vraagt. Ik ben haar kleindochter en op mij moppert ze niet, we delen een liefdevol verleden. Als ik aanbel en meteen met de sleutel de deur open doe tref ik haar, “nakend” zoals ze zelf zegt, achter het aanrecht, terwijl ze probeert zichzelf te wassen. Met één hand, want met de andere hand moet ze zich stevig vasthouden aan de rollator. Ze is zo klein en krom dat ik haar wil optillen en wil wiegen als een baby. Ik wil haar in een warm bad leggen en daarna inwrijven met huidolie. Maar ze kan het allemaal zelf. Dat zegt ze! Alsof ik mijn eigen kinderen in de peuterpubertijd weer hoor praten: “zelf doen.”
Haar ontroerende, broze lichaam wordt aangestuurd door een ijzersterke wil, haar geest heeft het opgebrande lijf al tig keer overleefd. Ze lijkt wel een in elkaar gedoken vogeltje. Vleugellam, maar niet verslagen. Nog niet! Omaatje. Ik doe haar een warme velourse badjas aan en ze zucht: “och, och, wat lekker warm.” Oma heeft geen thuiszorg (wil ze niet), geen tafeltje-dek-je (vind ze niet te eten) en ze kook nog zelf (zegt ze).
Ze giechelt als een klein meisje als ik vertel dat niemand lekkerder kookt dan zij. “Dat heb ik van mijn moeder,” zegt ze en haar ogen, waar het licht uit is verdwenen, glimmen kort. Ik warm een meegenomen maaltijd voor haar op en ga naast haar op de bank zitten. Ze eet! Ik ben verrukt en net zo blij als toen mijn eigen baby’s aten. “Je eet oma, je eet.” Ze lacht. “Lekkere bloemkool.” Dan valt ze in slaap, haar tong een stukje uit de mond. Ik schrik. Niet doodgaan, niet nu. “Oma?” Ze schrikt op. “Gek hè,” giebelt ze, “soms val ik zo ineens in slaap.”
Ik voel de tranen branden achter mijn ogen, maar wil niet huilen. Waarom huilen? Hier? Tot voor kort was ze gezond en zelfstandig. We riepen altijd: “omaatje wordt 100.” Ik pak haar vast en trek haar zacht tegen me aan. “Ik ga het niet meer halen die 100 hoor,” zegt ze alsof ze mijn gedachten kan lezen. Ze laat zich gewillig strelen en ik aai langs het omhulsel van deze mooie oude ziel, langs ons gezamenlijk verleden.
“Ik heb alles op,” mompelt ze verbaasd en ze legt haar bestek neer. “Nou word je niet wakker vannacht,” zeg ik, “van de honger.” “Maar ik heb nooit honger,” zegt ze. “Ik hoef niet meer te eten.” Ik ga voor haar zitten op de knieën, mijn gezicht dicht bij dat van haar en zeg: “Weet je nog oma, hoe goed je voor ons hebt gezorgd vroeger? “Ja,” zegt ze “en dat ik pannenkoeken voor jullie bakte.” “Oh ja, die waren lekker,” verzucht ik. “En weet je oma, dat ik nog steeds kroketten maak volgens jouw recept? En groentesoep trek zoals jij mij leerde? Mijn vlees net als jij haal bij de keurslager? Groot succes heb met jouw oer-Hollandse koude schotel? En net zo eigenwijs ben als jij?” Ze glimlacht. “Nu kunnen wij een beetje voor jou zorgen, want als je niet eet oma, ga je dood.” “Ik wil nog niet dood meidje, ik wil leven,” zegt ze zacht. “Dat weet ik oma, je BENT het leven, wij zijn zo trots op je.” Ze pakt mijn hand en ritst met haar andere gekwetste, donkerblauwe hand langs mijn truitje. “Leuk ding heb i’j an.” Ik lach door mijn tranen heen.
“Ik moet gaan oma.” En met moeite maak ik mezelf van haar los. Ik moet gaan, naar mijn eigen leven, man en kinderen, maar wil je meenemen en verzorgen, zoals je ook ooit voor ons hebt gedaan. “Dag oma.” “Dag, tot de volgende keer,” zegt ze en als ze ziet dat ik twijfel: “Ga nou maar, je moet zelf nog eten.” “Goed blijven eten hè?” Ze zwaait een bibberende groet en vraagt met een stem die klinkt als het vertederend gemekker van een jong geitje: “Draai je de deur op slot?” “Doe ik.” “Dag omaatje!” “Dag meidje.”

Reageer op deze column...


Geschreven op 29 september 2009
 

Sitemap