|
|
| |
Column
Vrienden
Op vier plekken in de tuin vogelvoer. Geplet
in een ster van kippengaas, aan een lange lijn,
als zaad in een voederhuisje en in een
uitgeholde kokosnoot. Het duurt gemiddeld een
kwartier voordat mijn gevleugelde vrienden
doorhebben dat er weer wat te nassen valt. Ik
kijk en geniet. Ik voel me op dit moment niet
alleen een enorme burgertrut, beste lezer, ik
ben een enorme burgertrut. Nog even en ik ga in
de diepgevroren spartelbak een wakje hakken om
een drinkplek te creëren. Ach gut! Eigenlijk wil
ik aan mijn vrienden vertellen hoeveel
vogelsoorten ik al heb gespot de afgelopen
weken; een Amerikaanse Boomklever, een
Heggenmus, een Roodborst, een Winterkoninkje,
een Gaai, een Lijster, de bekende Pimpel,
Koolmees, Merel en een mij nog onbekende
vinkensoort. En zo af en toe komt de eekhoorn
een nootje meekraken en zweeft de Buizerd,
gevaarlijk spiedend in een warme luchtthermiek,
onderwijl ieuw-achtige machtkreten uitstotend.
De kleinere vogels zoeken acuut bescherming
tussen de takken van de beukenheg.
Vroeger zaten wij op winterse dagen tijdens het
ontbijt gezamenlijk kruimels te maken van oud
brood. Dat moest van mama, de vogelvriend onder
ons. En aan het einde van zo’n dag kregen we
vervolgens te horen welke vogels het brood
hadden opgepikt. En,...hoe ze daarvan had
“genoten”. Ai, ik voel de ergernis van haar
woorden nog zacht prikken in mijn eveneens
stekelige ochtendhumeur van weleer. Dus probeer
ik nu, dertig jaar later, mijn mond te houden
als ik aan het ontbijt langs iedereen wegkijk
naar buiten. Maar ze hebben het wel door
natuurlijk. “Ze kijkt weer naar die stomme
vogels,” zegt de jongste. En dan gebeurt het
toch. Ik verzucht: “Kijk dan daar, die prachtig
roodbruine borst van de boomklever en die zwarte
streep langs zijn kop!” Maar ze verrekken hun
sierlijke halzen er niet eens meer aan en
blijven stug doorkauwen, die bloedjes van
kinderen. Die nu, uiteraard zonder dat ze dat
zelf doorhebben, al zijn besmet met het ‘wat-is-de-natuur-toch-prachtig-virus’.
Ha!
In mijn ouderlijk huis ga ik op zoek naar papa’s
vogelgids. Ja hoor, snel gevonden. Ik blader
erin en weet wat ik graag wil voor mijn volgende
verjaardag. Zo! Met een klap sla ik het boek
dicht. Nu is het wel klaar, met dat gemijmer.
Laat die sneeuw maar dooien, de vetbollen
indrogen en het zaad ontkiemen als onbeduidende
sprietjes weet-ik-veel. Dan kijk ik voortaan
weer gewoon naar mijn kinderen. En stuur met
zachte dwang het getreuzel van het
ochtendritueel aan. “Nog 5 minuten - Denk aan je
sinaasappelsap - Vergeet je gymtas niet te
pakken - Heb je je tanden als gepoetst? - Waar
de gelpot is? Nou waar je het hebt achtergelaten
gisteren, - Wat? Weet je dat niet?, - HOEveel
toetsen heb je vandaag? - Wil je geen staartje
in je haar? Oh, wat dan wel, los haar, dan kun
je niet goed schrijven hoor, - Hč? Pikt de hond
de kaas! - Hoe vaak moet ik dat nou zeggen, eet
met je mond dicht, en niet praten graag, dank
je, - De hagelslag is op, morgen weer,....”
Als ze slim zijn laten ze me starend over de
witbesneeuwde tuin uitkijken. En kissebissen ze
in stilte, door elkaar slechts woeste blikken
toe te werpen. Met dank aan mijn vrienden in de
kou, met die prachtig opgezette bolle veertjes,
die, - wist je dat niet? – dienen als ski-jack!
Reageer
op deze column...
Lees
ook het nieuwe gedicht van deze week...
Geschreven op 9 januari 2010 |
|
|
|