Home Over Katja Boeken Gedichten Columns Nieuwsbrief Contact Nederlands Engels

   
  Lees meer  
  ... naar archief  
     
     
   
  Column

Woest
Tussen Arnhem en de Oude IJsselstreek zijn de wolken mooier, onstuimiger en fascinerender dan elders. Steeds als ik vanuit het zuiden die kant op rijd overvalt me een intens ik-hou-van-Holland-gevoel. Drie rivieren moet ik over voordat ik ‘thuis’ ben. Thuis in mijn geboortestreek. Thuis-thuis dus. Misschien dat daarom de beleving anders is, mijn blik gekleurd, of zelfs verkleurd. Troebel. Dat kan. Het kan me eigenlijk niet schelen hoe het komt dat ik zo gek ben op de woest jagende wolken boven het Gelderse landschap, de donkere randen langs het witte schuim, het bedrieglijke helblauwe stuk eronder, waarvan je weet dat keiharde regen er zo meteen doorheen zal kletteren. Ergens hier wil ik wel wonen, in een huis aan de rand van dit oneindige wolkenspel. Een wit klein huis met rode pannen en een groene voordeur in het midden, omlijst door stokrozen, veel stokrozen. En een bankje aan de zijkant tegen de witgekalkte muren met uitzicht op knotwilgen en een bosrand in de verte. Een bosrand? Ik schrik van de gedachte. Lang heb ik me afgezet tegen mijn bosminnende familie. Strand en zee, daar kon ik geen genoeg van krijgen. Ik zette geen stap meer op zachtverende paden van langzaam verterend eikenblad, verlangde niet meer naar het ‘hoogste punt’ op de Hertenheuvel en ‘vergat’ hoe de hete chocolademelk smaakte bij oma en opa waar we na een een lange wandeling uitgeput aankwamen.
Zelfs mijn wandeluitrusting leek die aanname te onderstrepen, want toen ik kort geleden een stevige wandeling wilde gaan maken om mijn gedachten te ordenen, vielen de verpulverde zolen van mijn eens zoveel gebruikte Nomats zuchtend onder mijn schoenen vandaan.
Nu ik zo dicht bij de bossen uit mijn jeugd ben besluit ik er een kijkje te gaan nemen. Ik zet de auto stil op de parkeerplaats in Zeddam. Daar waar we vroeger iedere zondag om half tien aan kwamen rijden in onze rode Renault 6, vader, moeder, broer, zus, bruine teckel. Er is hier niets veranderd zie ik en ik kan welhaast met mijn ogen dicht aan de wandeling beginnen. Terwijl ik langzaam begin te lopen hoor ik de denkbeeldige stem van mijn vader,... “hier is het vossenhol, daar de dassenburcht, hier de lepel met drinkwater voor de dieren en daar het hoogste punt waar een steen ligt met daarop de letters ‘hoogste punt 95 meter’.” Duizenden keren hebben we deze plek bezocht. Het hoogste punt. Van wat? Van het bos, de verre omtrek, de gehele Achterhoek? Het is niet belangrijk denk ik en wandel langs ‘vergeten’ momenten, bosbessenstruiken, metershoge varens en omgevallen bomen. Ik ben vastberaden de top te bereiken en ontelbaar verschillende vogelgeluiden begeleiden me. Ook alleen moet het me lukken de weg te vinden. Ik sta op een tweesplitsing en twijfel een seconde, links, zeker weten, hier moet ik links. Op dit punt wilde ik als meisje vaak niet verder lopen, moe en chagrijnig van de verplichte wekelijkse wandeling. Demonstratief ging ik dan zitten, precies hier waar ik nu ben aangekomen, tegen een dikke eik en liet ik mokkend de schouders hangen. Mijn verzet maakte geen indruk op de rest van de familie, ze wandelden stoďcijns verder. Het sprintje dat ik even later moest trekken om ze in te halen putte me meer uit dan wanneer ik gewoon was blijven meelopen. Dat besef ik nu, jaren en jaren later. Vandaag ben ik echter onvermoeibaar en klim omhoog. Ik moet nu oppassen voor de wortels van de bomen die kronkelend en pesterig dwars over het zandpad kruipen. Mijn moeder noemde ze ‘Bremer Straatmuzikanten’, een uitspraak van mijn Duitse oma. En net als vroeger klinken haar waarschuwingen in mijn oren: “Kijk uit! Til je voeten op, een Bremer Straatmuzikant!”

Reageer op deze column...
 
Geschreven op 18 juli 2009
 

Sitemap